In memoriam Willem van den Berg 1934-2017

24 augustus 2017

Op 16 augustus is na een kort ziekbed Willem van den Berg overleden, op 82-jarige leeftijd. Hij was van 1985 tot 1999 werkzaam bij de faculteit als hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde.

Vroeg in de ochtend kwam Wim van den Berg elke dag aan op het P.C. Hoofthuis vanuit Rhenen. Zijn imposante gestalte met de uitpuilende versleten leren boekentas om zijn linkerschouder viel natuurlijk op, maar hij trok ook de aandacht door met iedereen die hij tegenkwam een praatje te maken, de portier, de secretaresse, de collega’s van andere disciplines. Hij informeerde naar gezondheid, familie, bezigheden en als er iets met iemand aan de hand was, sloeg hij een meelevende arm om hem of haar heen. Soms stond hij in de lift al te discussiëren, zijn argumenten benadrukkend door een vuist op iemands schouder te drukken.

In 1985 begon hij als hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Tot dan toe was hij vooral Utrechtenaar geweest en gespecialiseerd in de achttiende eeuw, werkzaam bij Algemene Literatuurwetenschap. Al heel snel maakte hij Amsterdam tot zijn stad. Toen hij aantrad waren zijn medewerkers een eigengereide los samenhangende  groep individuen. Hij wist snel het vertrouwen te winnen en zich door zijn oprechte belangstelling voor de persoonlijke achtergronden van de collega’s ook geliefd te maken. Vooral de jaarlijkse bijeenkomsten op het Rhenense landgoed kregen een reputatie om de gastvrijheid, de royaliteit, de onbegrensd vriendelijke aanwezigheid van Willems vrouw en de mooie natuur. Ook met de bestuurders van de faculteit had hij de beste banden.

Hij gaf een nieuwe impuls aan het onderzoek van de negentiende eeuw. Zijn proefschrift uit 1973 was een begripshistorisch onderzoek naar de term ‘romantisch’. Lang voordat begripsonderzoek in de mode kwam, schreef hij deze klassiek geworden studie. Hij verlegde grenzen, vooral met zijn onderzoek naar genootschappen, rederijkerskamers en literatuurgeschiedschrijving. Altijd was zijn blik breed: over de beperkte neerlandistiek heen. Toen hij in het bestuur van de werkgroep De negentiende eeuw kwam, droeg hij diverse vernieuwende onderwerpen voor de congressen aan. Mede daardoor is het onderzoek in de negentiende eeuw vanaf de jaren 1980 tot zo’n hoogte gestegen. In 1999 verscheen een bundeling van zijn voornaamste artikelen: Een bedachtzame beeldenstorm. Hoogtepunt in zijn werk is de literatuurgeschiedenis, Alles is taal geworden (2009), die hij samen met Piet Couttenier na zijn emeritaat schreef, en waarin hij zijn inzichten in het literaire leven van de negentiende eeuw samengebald heeft.

Een bijzondere band had hij met zijn promovendi,  die elk op hun eigen manier maar op basis van zijn begeleiding hun weg gezocht en gevonden hebben. Ze gingen zich het Montanusgenootschap noemen, dat een paar maal per jaar royaal onthaald werd bij hem thuis. Doel daarvan was wetenschappelijke kritiek en uitwisseling bevorderen.

Als docent was hij geliefd door zijn ongewone combinatie van wetenschappelijke acribie, passie voor sommige schrijvers en zijn persoonlijke band met studenten.  

Zijn emeritaat in 1999 beviel Wim maar weinig. Hij ging zich daarna Willem noemen – een verlenging die wellicht symbolisch was. Nog vele jaren bleef hij de trein naar Amsterdam nemen, zo niet dagelijks dan toch een paar keer per week. Op wetenschappelijk gebied bleef hij actief en op congressen nam hij vaker dan ooit het woord, het moest duidelijk zijn dat hij er nog was. Tot zijn grote lichaam hem in de steek begon te laten, met eerst kleine, makkelijk te overwinnen ongemakken, daarna definitief. De gulle lach van Willem zal alleen nog in onze herinnering klinken, maar zijn werken zijn er nog en zullen nog lang bij de klassieke studies van de negentiende eeuw horen.

Geschreven door Marita Mathijsen.

Gepubliceerd door  Faculteit der Geesteswetenschappen